Plinneke

Plinneke
As ich ’s meurges wakker wjan, don ich wei ilke man
Dan kiek ich boate wiei doa allemol lup
En zin ich Plinneke dan, vuel ich wei ilke man
Me bloed rap loape, boe het anes krup
Als ik 's morgens wakker word, doe ik zoals elke man:
ik kijk eens nar buiten, om te kijken wie daar voorbijkomt
En zie ik Paulientje dan, voel ik zoals elke man
Mijn bloed sneller lopen, waar het anders kruipt
Oh, me Plinneke, mei shoan krikzwat Plinneke
Wei ze get, met heur melet
Genne man wa doa tege kan
En as ich denk, oan die reink,
Dan lup ze laachtere terre van mich voet
Boe’s toch me Plinneke, met heure parapleu
O, mijn Paulientje, mijn mooi ravenzwart Paulientje
Zoals ze loopt met haar handtas
geen man die dat kan weerstaan
En als ik denk aan die ring
dan loopt ze lachend van mij weg
Waar is toch mijn Paulientje, met haar paraplu
Ene zondag naternoen, heub ich nie veul te don
Ich vreug eens of ze met mich waandele get
En ater de joste hoek, ater de dikste stroek
Kreeg ich van Plinneke men allerjoste pon
Zondag namiddag heb ik niet zoveel te doen
Ik vraag of ze mee wandelen gaat.
En achter de eerste hoek, achter de breedste struik
kreeg ik van Paulientje mijn allereerste zoen
Vey zen doen mer getrouwd, en heubbe tos nowt beroad
Vey zen e poar, wei da djiei ter nie veul vind
De keinger koame rap, ich stoend nog op de trap
De wijzevrouw met e pekske met e keind
Wij zijn toen maar getrouwd, en hebben 't ons nooit berouwd
We zijn een paar zoals je er niet veel vindt.
De kinderen kwamen snel, ik stond nog op de trap
De vroedvrouw weer met een pakje met een kind
Vey zen noa aat en greis, os moak djei nog niks weis,
Vey leise ilke doag nog de gazet
Vey heubbe nog gee speit, van ozze schonne teid
En hope dat het zo nog lang get
Wij zijn nu oud en grijs, ons maak je nog niets wijs,
we lezen dagelijks nog de krant.
We hebben nog geen spijt van onze mooie tijd
en hopen dat het zo nog lang verder gaat.